De tortuur of gerechtsmarteling was naast een fysieke pijniging ook een psychische marteling. De beklaagde zat half naakt in een koude, kille krocht. Tegenover hem een zevental mannen die behoorden tot de notabelen van het dorp en op hem neerkeken. En dan was er die vreselijke beul die iedereen walgelijke afkeer en dierlijke angst inboezemde.

De gevangene had al uren geen eten of drinken meer gehad. Hij kreeg de marteling op zijn ‘nuchtere maag’. Hij had de duimschroeven al aan de vingers gehad en die had hij meestal nog aan, als de beenschroeven werden geplaatst. Zij behoorden ook nog tot de zogenaamde kleine tortuur met de ‘schroefkens’.

De beenschroeven waren twee houten latten die met een leren lap of met touwen aan elkaar vast zaten. Die werden rond de schenen gebonden en dan werd een houten spie tussen de houten lat en de scheen geslagen. Die spie werd aangeklopt, zodat het hout over de schenen schuurde en het vel er soms afhaalde. Schenen zijn letter lijk vel over been en dus heel gevoelig. De beklaagde huilde van de pijn. Nog niet willen bekennen, dan werd de tweede beenschroef op het andere been aangespannen. Dan zat de beklaagde daar met twee duimschroeven aan iedere hand en twee grotere schroeven op de schenen. De beul deed nu niets anders dan de schroeven telkens wat strakker aanhalen. De beklaagde die niet wou toegeven, werd ondertussen constant ondervraagd en aangemaand te bekennen. Hij zelf wist dat bekennen de dood betekende maar zelfs als hij onschuldig was, wou hij van die onmenselijke pijnen af. Als hij nog niet wou breken, dan vroeg hij om de schroeven wat te lossen. Bepaalde beschuldigden beloofden dat ze zouden bekennen als die schroeven zouden gelost worden.

Meestal bekenden ze achteraf toch niet en die van het gerecht wisten dat. Ze lieten de beul dan de schroeven wat losser draaien, maar de druk op de vingers en schenen bleef duren.

Ondanks al die ellende bleef de volksmond zijn galgenhumor behouden. De meest gebruikelijke benaming die het volk aan dat foltertuig gaf, was de ‘stievels’ of de Spaanse laarzen. Volgens een theorie bracht de Spaanse Inquisitie dat foltertuig in voege bij de verhoren tegen de zogenaamde ketters of andersgelovigen. Andere versies spreken dat tegen.

spaanse stievels

In tegenstelling tot duimschroeven die door de smid werden afgeleverd en in duurzaam materiaal waren, zijn er weinig authentieke Spaanse stievels bewaard gebleven. Ze kunnen worden nagemaakt van afbeeldingen. Zo bestaat een afbeelding van omstreeks 1500, een houtsnede uit het Bambergische Halsgerichte van de Duitse stad Mainz. De beul heft ostentatief zijn hamer heel hoog om de spie verder op de scheen van de ongelukkige te slaan. In de praktijk zal dat wel met kleine, lichte slagen gebeurd zijn. De beul kan ook de verdachte angst inboezemen door die hamer zo hoog te heffen of hij neemt die pose aan voor de kunstenaar die de afbeelding zo spectaculairder maakt. Zoals beklaagden door de pijn in hun vingers na hun tortuur niet meer konden schrijven, konden ze door de stievels niet meer of nog slechts moeizaam lopen. Meestal strompelden ze uit de tortuurkamer, ondersteund door de beul of andere aanwezigen. Dan werden ze weer op hun brits gelegd en de volgende dag ging het lopen meestal nog zeer moeizaam. In de bokkenrijderprocessen van Loon komt de Spaanse laars enige keren in de belangstelling. Henri de Villers, alias Spekheyn of de Geschoten Waal werd in Bree op tortuur geplaatst, waarschijnlijk in het huidige Oud-stadhuis. Hij had een slecht been en door de Spaanse laarzen was zijn been erg ontstoken. De arts die ambtshalve bij de tortuur aanwezig was, dokter Van der Smissen, noteerde dat in zijn verslag. Rond de enkel was een ‘mortificatie’ opgetreden en het been was erg ‘geïnflammeerd’. De dokter schreef dat hij vreesde dat De Villers een schielijke dood in de gevangenis zou sterven. Daarom werd haast gemaakt met zijn doodvonnis en het lukte wonderwel. De Villers werd op 3 januari 1790 in Bree ter dood gebracht. Hij was niet in de gevangenis gestorven. Hallelujah.

Jan Geusen, 54 jaar uit Ophoven, was een opvliegend kereltje. Hij werd gearresteerd in Oudenbosch en zat daar lange tijd gevangen. Hij gaf de schuld aan de schepenen van Ophoven die hem niet snel genoeg bevrijdden. Later gaf hij in herbergen meermaals uiting aan zijn ongenoegen. Hij dreigde met brandstichting en hij zou de inwoners van Ophoven ‘in een stievel doen schijten’. Zijn zoon Cornelis probeerde zijn vader te doen zwijgen: “Ge zijt zat, hou uw muil, gij klapt te veel,” beet hij zijn vader toe. Door die loslippigheid en de opvliegendheid van papa Geusen zouden niet de inwoners van Ophoven maar Geusen zelf figuurlijk in de stievel schijten en als bokkenrijder terechtgesteld worden.

François van Gehuchten